dinsdag 4 augustus 2020 | Berichten, Vaste berichten

Uitwerking pensioenakkoord schoffeert haar eigen uitgangspunten

Inmiddels is er al iets meer bekend van de uitwerking van het pensioenakkoord. Bij die uitwerking zijn er verschillende zaken die om aandacht vragen.

Noodzaak degressieve opbouw

Er wordt gesteld, dat we niet meer in de jaren vijftig leven en dat de wereld sindsdien veranderd is. Dat is natuurlijk een waarheid als een koe, maar is dat reden om het stelsel te veranderen? Er zijn vele zaken uit de jaren vijftig of ouder die nu nog steeds prima functioneren.

Wat is er sinds de jaren vijftig veranderd dat invloed zou moeten hebben op de pensioenregelingen? Een van de eerste dingen die in het oog springt is natuurlijk de sterk toegenomen diversiteit in samenlevingsvormen. Daarop is al lang ingespeeld door het weduwen- en wezenpensioen om te zetten in een nabestaandenpensioen en door dit laatste voortdurend te herijken op de nieuwste ontwikkelingen.

Verder is er het feit, dat mensen vaker van baan wisselen. Dat kon worden opgevangen door het introduceren van de mogelijkheid tot waardeoverdracht. Ook dat is al decennia geleden geregeld.

Dan is er de mogelijkheid dat mensen overstappen van een baan in loondienst naar een positie als zelfstandig ondernemer. Dat punt wordt al opgepakt in het witte vlekken onderzoek en de mogelijkheid voor ZZP-ers om ook aan bedrijfstakpensioenregelingen deel te nemen.

Met ander woorden: de overgang naar degressieve opbouw klinkt sympathiek, maar het levert pensioengaten van tientallen miljarden op en lost geen feitelijk maatschappelijk probleem op.

Sterker, in de uitwerking van het pensioenakkoord wordt onderscheid gemaakt tussen pensioenen die opgebouwd worden bij fondsen en pensioenen die worden opgebouwd bij verzekeraars of PPI’s. Bij fondsen wordt een degressieve opbouw bij gelijkblijvende premie ingevoerd, terwijl bij verzekeraars en PPI’s wordt vastgehouden aan gelijkblijvende opbouw en progressieve premie. Overstappen van een werkgever met een verzekerd pensioen naar een werkgever met een fondspensioen kan dus forse consequenties hebben voor het pensioen.

Waar het pensioenakkoord beoogt om in te spelen op de toegenomen flexibiliteit op de arbeidsmarkt zorgt de uitwerking ervan juist voor belemmeringen van die flexibiliteit.

Invoer collectieve solidariteitsreserve is minder eerlijk dan de doorsneesystematiek

De degressieve opbouw wordt geïntroduceerd omdat het eerlijker gevonden wordt, dat iedereen betaalt voor zijn eigen pensioen en zijn eigen risico. Dat uitgangspunt wordt heel belangrijk gevonden, gezien de hoge maatschappelijke kosten die ervoor geaccepteerd worden.

Toch wordt dit uitgangspunt direct in de uitwerking van het akkoord al met voeten getreden door de invoering van de collectieve solidariteitsreserve. Die wordt namelijk gevoed uit premies en/of overrendement.

Als het uit premies gefinancierd wordt betekent dit, dat aan huidige deelnemers wordt gevraagd om pensioenpremie te betalen waarvoor zij geen pensioen inkopen. Hun pensioenpremie wordt besteed om voor volgende generaties klappen op de beurs op te vangen. Als zij zelf met klappen op de beurs te maken krijgen, krijgen zij die wel vol voor de kiezen omdat er nu nog geen collectieve solidariteitsreserve is. Of als ze er op een later moment al een beroep op kunnen doen zal dat nooit meer kunnen zijn dan zij ingelegd hebben, omdat er nu eenmaal niet meer is opgebouwd.

Als het uit overrendement gefinancierd wordt geldt iets vergelijkbaars, met dien verstande dat in dat geval gepensioneerden meedelen in de pijn. Het pensioen gaat meebewegen met de ontwikkelingen op de beurs. Echter, de lusten van die ontwikkelingen worden (geheel of gedeeltelijk) afgeroomd en in de vorm van de collectieve solidariteitsreserve ter beschikking gesteld aan toekomstige generaties, terwijl de lasten wel vol drukken op de pensioenen.

Als de huidige deelnemers in de toekomst al een beroep gaan doen op de collectieve solidariteitsreserve, dan zal dat een sigaar uit eigen doos zijn.

Met andere woorden: de collectieve solidariteitsreserve kan alleen maar gevormd worden uit intergenerationele subsidie, precies dat wat met de degressieve opbouw wordt bestreden.

Daarbij is de intergenerationele subsidie van de collectieve solidariteitsreserve minder eerlijk dan die van de doorsneesystematiek. Veel mensen zitten bij de doorsneesystematiek immers zowel een periode aan de goede als een poos aan de verkeerde kant. Bij de collectieve solidariteitsreserve is de subsidie eenzijdiger, omdat de huidige deelnemers allemaal aan de verkeerde kant zitten en zij dat met zekerheid niet (voldoende) compenseren door een periode aan de goede kant.

Compensatie nadelen afschaffing doorsneesystematiek

Uit berekeningen bij 13 pensioenfondsen blijkt, dat er in veel gevallen geen nadeel, maar een voordeel ontstaat. Het is daarbij belangrijk, te onderzoeken hoe dit voordeel tot stand is gekomen.

Overgang naar degressieve opbouw betekent namelijk, dat grofweg iedereen tot 45 jaar meer gaat opbouwen en iedereen ouder dan 45 jaar minder. Maar iemand van bijvoorbeeld 40 jaar bouwt even snel rekenend vijf jaar meer op en twintig jaar minder. Per saldo is dat waarschijnlijk minder. Jongeren hebben wel het voordeel, dat hun geld langer kan renderen, wat dit effect (gedeeltelijk) compenseert. Eerdere schattingen lieten zien, dat afhankelijk van de aannamen ongeveer 75% van de actieve deelnemers nadeel ondervindt van de transitie.

Als er nu alsnog een voordeel voor een meerderheid zou ontstaan kan dat veroorzaakt worden doordat er twee effecten door elkaar lopen.

Naast de overgang op degressieve opbouw is er namelijk nog de overgang naar een minder zeker pensioen. Deelnemers gaan meer risico lopen en bij een hoger risico hoort een hoger verwacht rendement. Zij gaan van “10” naar “een bedrag tussen 9 en 13”. Dit laatste wordt dan gewaardeerd op 11 (het midden tussen 9 en 13) en geteld als een winst van 1 (het verschil tussen 11 en 10). Maar die winst is allerminst zeker; het kan meer of minder zijn en ook in verlies uitmonden.

Het is goed mogelijk, dat deelnemers enerzijds een nadeel hebben uit de overgang op degressieve opbouw en anderzijds een voordeel uit de compensatie voor het lopen van risico. Als het (verwachte) voordeel groter is dan het nadeel, dan zal er per saldo een (onzeker) voordeel zijn. Maar het voordeel zal minder zijn dan een passende beloning voor het gelopen risico. In het voorbeeld hierboven kan dat bijvoorbeeld dalen naar “tussen 8,1 en 12,1” Dat is gemiddeld 10,1 en wordt dan nog steeds als voordeel geteld, maar daarvoor wordt wel een groot risico gelopen, waarvoor de beloning relatief minimaal is. Dat betekent, dat er dan wel degelijk nadeel is van de overgang op degressieve opbouw.

Dubbeltellingen

Voor deelnemers die alsnog nadeel oplopen van de overgang naar degressieve opbouw zal er compensatie plaatsvinden. De uitwerking meldt niet, waar die compensatie uit gefinancierd zal worden. Dan moet gevreesd worden, dat de financiering ervan nog niet in de doorrekening is verwerkt. Dat betekent, dat de kans reëel is, dat in de doorrekeningen inkomend geld dubbel of nog vaker wordt geteld. Er wordt gerekend met een projectierendement. Als er overrendement (meer rendement dan het projectierendement) gecreëerd wordt, dan zal dat nodig zijn voor:

·        Compensatie van onder-rendementen in andere jaren

·        (Inhaal-)indexatie

·        Financiering van de collectieve solidariteitsreserve

·        Financiering van de compensatie van de nadelen van de degressieve opbouw.

Als er inderdaad dubbeltellingen zitten in de verwachte inkomsten, dan zullen de resultaten voorspelbaar gaan tegenvallen.

Definitief einde volledige indexatie

“Naarmate mensen ouder zijn, wegen mee- en tegenvallers minder zwaar mee. Pensioengerechtigden merken hier dus veel minder van dan jongeren.” Dit is ook nodig om ingegane pensioenen te stabiliseren. Tussen 31 december 2019 en 31 maart 2020 is de AEX met 20% gedaald. Het is onverantwoord om ingegane pensioenen met een dergelijke daling vol te confronteren. Dus is er de demping. Maar in de wereld van beleggen wordt het geld verdiend met het nemen van risico’s. Doordat er voor gepensioneerden minder risico genomen kan worden kan er dus ook minder verdiencapaciteit worden gecreëerd. De verdiencapaciteit zal voor gepensioneerden daarom niet voldoende zijn om de inflatie bij te benen.

Met andere woorden: er mag dan meer geïndexeerd worden dan onder FTK, dit akkoord betekent het definitieve afscheid van volledige indexatie.

Korten

Het Nederlandse volk heeft een grote aversie tegen pensioenkortingen. Van alle zaken die in het onderhavige akkoord zijn overeengekomen is het feit dat er eind 2020 niet gekort hoeft te worden verreweg het meest genoemd in de media.

Het akkoord dat nu is gesloten betreft een systeem waarin kortingen juist een prominente plaats innemen. Het is maar zeer de vraag hoe robuust dit stelsel zal blijken te zijn als dit onderdeel van het akkoord in de praktijk gebracht gaat worden.

Kortom

Het pensioenakkoord had als doelstelling om beter in te spelen op de flexibeler geworden arbeidsmarkt. In werkelijkheid kan het die flexibiliteit juist minder goed aan en werpt het daarvoor ook belemmeringen op.

Het pensioenakkoord had als doelstelling om eerlijker te worden door mensen voor hun eigen pensioen en hun eigen risico’s te laten betalen. In werkelijkheid wordt er een collectieve solidariteitsreserve ingevoerd waar de huidige deelnemers netto alleen maar aan kunnen bijdragen en nooit netto van kunnen profiteren. Het stelsel is daardoor minder eerlijk geworden.

Het pensioenakkoord had als doelstelling om transparanter te worden. In werkelijkheid wordt er gemeld, dat iedereen erop vooruit gaat, terwijl daarbij niet wordt gesproken over de daarbij horende risico’s en de kosten van bepaalde maatregelen in de plannen nog niet zijn verwerkt en dus onduidelijk is wie dat gaat betalen.

Het pensioenakkoord had als doelstelling om betere indexatie mogelijk te maken. In werkelijkheid kan de indexatie wel hoger worden dan nu, maar wordt volledige indexatie voor gepensioneerden definitief onhaalbaar.

De enige doelstelling die het pensioenakkoord wel waarmaakt is, dat het pensioen onzekerder wordt. Deelnemers weten met het nu bereikte akkoord minder goed waar ze aan toe zijn. Maar het is maar helemaal de vraag of deelnemers dit casino-aspect van het pensioen nu heel belangrijk vinden.

Met andere woorden: de doelstellingen die bij het pensioenakkoord zijn geformuleerd zijn bij de huidige uitwerking verder weg dan bij helemaal niets doen.

Alternatief

Er is echter een alternatief voorhanden. ROL Pensioenfondsen is een alternatief voor de nu gepresenteerde plannen. ROL pensioenfondsen staat voor Risicobeheer Op Lange termijn. Het is een innovatieve manier van denken over pensioenrisico’s. Het is begonnen als puur intellectueel speeltje voor mijzelf. Het heeft in 2015 geleid tot mijn eerste publicatie over het verschil tussen risicobeheer op korte termijn en risicobeheer op lange termijn. Gaandeweg ging ik de maatschappelijke relevantie van mijn innovatie inzien.

Wat er nu staat is een vrijwel compleet programma waarmee de huidige pensioenproblemen beter kunnen worden opgelost dan met de nu voorliggende plannen. Met het risicobeheer programma kunnen kortingen voorkomen worden. Niet omdat de minister elke keer weer met zijn hand over zijn hart strijkt, maar omdat het programma effectieve bescherming biedt.

ROL werkt niet met een expliciete, maar met een impliciete buffer. Dat heeft tot gevolg, dat de buffer eerst het pensioen tegen korten beschermt en elk jaar dat hij niet nodig blijkt gebruikt kan worden voor indexatie. Daardoor biedt hetzelfde geld dat de pensioenen beschermt tegen korten ook goed uitzicht op volledige indexatie.

Omdat ROL de focus legt op de lange termijn zijn de hiervoor benodigde premies ook heel stabiel.

Eerder gepubliceerd op LinkedIn op 18 juni 2020

Woordenlijst

ROL is een innovatieve manier van pensioen-rekenen. Waar de politieke discussie gaat over òf-òf-vragen, realiseert de ROL èn-èn.

  • Èn nominale zekerheid (geen kortingen van pensioenen meer);
  • Èn snellere indexatie voor ouderen (aanpassen van pensioen aan gestegen prijzen), sneller nog dan het pensioenakkoord;
  • Èn pensioenzekerheid voor jongeren;
  • Èn grote kans op een volledig geïndexeerd pensioen voor jongeren;
  • Èn stabiele premies op ongeveer het huidige niveau.

Dit is niet te mooi om waar te zijn. Dit is slimmer rekenen. Actuaris Arno Eijgenraam kan politieke discussies overbodig maken door al deze doelstellingen tegelijk te realiseren.

Gerelateerde berichten

Een beter Pensioenakkoord met risicodeling via premies

In het Pensioenakkoord komen beleggingsrisico’s louter voor rekening van de koopkracht in de pensioenfase van de levensloop, omdat alleen de pensioenen worden aangepast en niet de premies. Met een bredere risicotoedeling over de gehele levensloop, inclusief variabele...

Lees meer

Nieuwe UFR-parameters voor pensioenfondsen worden vanaf 1 januari 2021 stapsgewijs ingevoerd

De nieuwe UFR-parameters, mede bepalend voor de manier waarop pensioenfondsen hun verplichtingen waarderen, worden vanaf 1 januari 2021 in vier gelijke stappen ingevoerd. Toezichthouder De Nederlandsche Bank heeft dat besloten. Daarnaast zal DNB de...

Lees meer